ROSMALEN – Bart van Betuw uit Rosmalen, die donderdagmiddag 25 april dood werd gevonden in een vijver in zijn woonplaats, blijkt door een misdrijf om het leven te zijn gekomen. Sectie op het lichaam heeft dat uitgewezen. De recherche is een uitgebreid onderzoek begonnen naar zijn dood en zoekt getuigen.

Van Betuw (53) was al langere tijd vermist. Hij verliet op woensdag 2 januari van dit jaar zijn appartement in Rosmalen. De recherche was sinds die tijd naar hem op zoek en hield rekening met verschillende scenario’s, waaronder een misdrijf. In een bosgebied van landgoed De Wamberg in Berlicum werd eerder gezocht naar Van Betuw. Ook leidde onderzoek de politie naar de omgeving van Breda/Bavel, waar hij op de dag van zijn verdwijning mogelijk een afspraak had. Daarna is hij in ieder geval nog gezien bij zijn
appartement aan de Herman Moerkerklaan in Rosmalen. Hij verliet het gebouw rond 22.15 uur op 2 januari, maar sindsdien ontbrak ieder spoor van hem.

In een vijver op het voormalige terrein van de GGZ in Rosmalen werd donderdag 25 april rond het middaguur het lichaam van een dode man gevonden door een medewerker van de plantsoenendienst. Onder meer aan de hand van de kleding had de politie een idee dat het om Bart van Betuw moest gaan. Het lichaam heeft waarschijnlijk maandenlang in het water gelegen en was daardoor flink aangetast: “Hoewel op het eerste gezicht geen aanwijzingen
werden gevonden voor een misdrijf, werd besloten om sectie te verrichten. Daaruit werden duidelijke sporen van geweld gevonden”, zo zegt de leider van het onderzoeksteam.

Omdat de politie al sinds zijn verdwijning bezig was met een onderzoek en de mogelijkheid van een misdrijf altijd heeft opengelaten, zijn er al veel gegevens verzameld en is er met meerdere mensen uit de omgeving van het slachtoffer gesproken: “Nu we uitgaan van een misdrijf gaan wij opnieuw in gesprek met contacten van Bart van Betuw. We proberen nog meer duidelijkheid te krijgen over wat hij op de dag van zijn verdwijning allemaal heeft gedaan en iedereen die meer weet willen wij natuurlijk heel graag spreken”, zo vertelt de recherche.