Daders van een misdrijf zoals een liquidatie of ramkraak, maken vaak gebruik van een vluchtauto om zich snel uit de voeten te maken. Die auto kan forensisch interessant zijn omdat daders daar mogelijk DNA-sporen in achtergelaten. Recherchekundige Tialda de Wolff (politie) deed in samenwerking met het NFI onderzoek naar de meest kansrijke plekken om auto’s te bemonsteren. Met vrijwillige proefpersonen deed ze een klein jaar experimenten met soms verrassende uitkomst.

De Wolff is haar onderzoek in september 2017 gestart. Ze is dan nog in opleiding tot recherchekundige bij de politie. In gesprek met DNA-deskundigen Bart Aarts en Bas Kokshoorn en onderzoeker Matthijs Zuidberg van het NFI is het idee ontstaan om onderzoek te doen naar DNA in auto’s die bij een misdrijf zijn gebruikt. Kokshoorn krijgt regelmatig vragen van OM en politie over hoe of wanneer DNA in een bepaalde omgeving terecht is gekomen, zoals een auto. “Dat wil je kunnen onderbouwen”, laat de DNA-deskundige weten. “Dit soort onderzoek en de data die daaruit voortkomt is daarom erg waardevol.”

Het NFI krijgt vaak vragen op ‘activiteitniveau’, dat iets zegt over hoe DNA ergens gekomen is. “Stel de politie vindt het DNA van een verdachte op een stuur. Die persoon bevestigt dat hij in de auto heeft gereden, maar beweert dat dat een week eerder was dan het misdrijf. Dan is het aan het NFI om op basis van literatuur en ervaring in te schatten hoe groot de kans is dat DNA van iemand na een week nog op het stuur zit”, legt De Wolff uit. Ook het verweer dat verdachten wel in de auto hebben gezeten, maar slechts als bijrijder en niet als bestuurder, hoort de politie vaak. “Die verweren verdienen het om eens goed onderzocht te worden. Dat is nog nauwelijks gedaan”, laat de recherchekundige weten.

Dit soort vragen leeft niet alleen bij misdrijven zoals liquidaties of ramkraken, maar juist ook bij eenvoudige autodiefstallen. “De politie stuurt bij die zaken gezien de capaciteit misschien maar één monster naar het NFI. Juist als je maar één bemonstering instuurt, is het belangrijk om te weten wat de meest kansrijke bemonsteringsplekken in een auto zijn”, legt ze uit. Voor het NFI is de vraag op activiteitniveau vooral relevant: als je DNA-sporen op locaties in een auto vindt, wat zegt dat dan?

Om antwoord op die vragen te krijgen, heeft De Wolff NFI’ers gevraagd om hun auto beschikbaar te stellen voor haar experimenten. Ze wilde onderzoeken wat een persoon die in een auto rijdt aan DNA achterlaat en wat ze daar op een later moment nog van terugvindt. Van zowel de bestuurder als de bijrijder. De Wolff heeft daarom gezocht naar mensen die altijd de enige bestuurder van de auto zijn en naar mensen die vaak dezelfde bijrijder bij zich hebben. Daarnaast had ze vrijwilligers nodig die bereid waren om een halfuur in een auto van een collega te rijden.

De Wolff stond direct voor een logistieke uitdaging. Het plannen van de experimenten was een flinke kluif. “NFI’ers moesten soms een halfuur tussen hun werk door in andermans auto op pad. Situaties zoals vergaderingen of een auto die naar de garage moest, gooiden plots roet in het eten”, lacht ze. Uiteindelijk heeft De Wolff 25 auto’s kunnen bemonsteren. Ze  heeft vijf auto’s met een vaste bestuurder bemonsterd en vijf met een vaste bijrijder. Van de auto’s zonder bijrijder heeft de recherchekundige ook iemand anders in die auto laten rijden om te kijken wat diegene achterlaat als incidentele bestuurder. “Dat is belangrijk om te weten”, zegt De Wolff. “Bijvoorbeeld als iemand een vluchtauto steelt en daar na het plegen van een liquidatie korte tijd in rijdt.”

De Wolff stippelde een route van een halfuur uit voor de proefpersonen die in de auto van een vreemde hebben gereden. Direct daarna dook de recherchekundige de auto in om die te bemonsteren. Dat experiment is herhaald met de proefpersonen in een andere auto die ze pas de volgende dag heeft bemonsterd en na een week.

Ook heeft De Wolff hun kleding onderzocht. Elke keer nadat een persoon een halfuur in de auto had gereden, stond de recherchekundige meteen klaar om de achterkant van de trui en onderkant van de broek te bemonsteren. Dit om te bekijken of er ook DNA van de eigenaar van de auto op de kleding zit. “Dan weet je of het ook andersom werkt”, legt ze uit. “Als je DNA van iemand op het stuur aantreft, zegt dat veel meer over dat hij in de auto heeft gereden, dan wanneer je DNA van de eigenaar van de auto op de kleding aantreft. Daar kan de verdachte makkelijker een smoes voor bedenken.”

Foto Nederlands Forensisch instituut

Toch kan DNA op kleding interessant zijn. Bijvoorbeeld als iemand met handschoenen heeft gereden of weinig DNA in de auto achterlaat. Maar dan is wel een snelle aanhouding van een verdachte nodig, voordat de kleding gewassen is. In ongeveer 75% van de bemonsteringen van de kleding heeft de onderzoeker DNA aangetroffen van de eigenaar van de auto. “Een verrassend hoog percentage”, stelt De Wolff.

Een ander opvallend resultaat is dat één persoon helemaal geen DNA heeft achtergelaten in de auto, zelfs na drie ritten niet. “De een laat meer DNA achter dan de ander, dat is bekend. Maar deze persoon houdt het stuur toch een halfuur met blote handen vast. Het feit dat je geen DNA aantreft, betekent dus niet per definitie dat je niet in die auto hebt gezeten.” Aan de andere kant heeft ze ook na 47 dagen nog DNA van iemand teruggevonden op de gordel. Van een persoon die slechts een halfuur in de auto van iemand anders heeft gereden.

Naast die ene persoon die nergens DNA-sporen heeft achtergelaten, heeft één ander persoon nauwelijks DNA achtergelaten. Van de overige vrijwilligers heeft ze wel DNA gevonden op het stuur, de handrem, de binnenste deurgreep en de gordel. Het stuur is als meest kansrijke bemonsteringsplek uit het onderzoek naar voren gekomen. De spiegel en de hendel van de stoel gek genoeg helemaal niet. Hoewel de incidentele rijders aangaven dat ze die versteld hebben, heeft de onderzoeker daar maar een enkele keer hun DNA op teruggevonden. Vermoedelijk is het korte contact daar de verklaring voor.

De eigenaar van de auto vond ze door de hele auto terug, zowel aan bestuurderskant als de bijrijderskant. “Het DNA van de bijrijder zag ik hoofdzakelijk aan de bijrijderskant en geen enkele keer op het stuur. Dat is interessant om te weten. Als je DNA van iemand op het stuur vindt die beweert de bijrijder te zijn geweest, is dat dus zeer onwaarschijnlijk.” De Wolff benadrukt dat haar onderzoek beperkt is door de omvang van 25 auto’s waarbij ze per auto twintig bemonsteringen heeft gedaan. “Er zijn specifieke kansrijke bemonsteringslocaties naar voren gekomen, maar dat betekent niet dat die altijd een goed resultaat opleveren.”

Bij vragen op activiteitniveau gaat het vooral om de combinatie van locaties waar je DNA aantreft. Juist de combinatie kan iets zeggen over of iemand zelf in een auto heeft gereden of dat die persoon de bijrijder was. Maar ook of diegene er vaak in heeft gereden en of dat dat bijvoorbeeld al een week geleden was.

Voor vragen op activiteitniveau die het NFI ontvangt, is het belangrijk dat politiemensen van tevoren al nadenken over welke plekken ze willen bemonsteren. Die monsters hoeven ze niet allemaal meteen naar het NFI te sturen. “De politie kan eerst alleen de monsters van het stuur opsturen”, zegt De Wolff. “Als een verdachte later een verklaring aflegt, kunnen de andere bemonsteringen een rol gaan spelen en alsnog naar het NFI worden verstuurd.”

Bron: Nederlands Forensisch Instituut